Kopen, kopen, kopen. Mantragewijs galmt het door mijn hoofd. Eindelijk solden. Laat je gaan. Je hebt het nodig. Dit is het moment. Rondom mij partners in crime in de wegwerpcultuur. Uit alle gaten en spleten van de stad lijken ze te verschijnen. Als wolven op een bloedend hert storten ze zich op hun prooi, uitgehongerd na maanden schaarste. Klaar om te pakken wat ze pakken kunnen. De procenten werken als suikervervangende hapklare brokjes zelfbevrediging. Welgemikte shotjes endorfines met een zeer tijdelijk effect.

De jongen is pas zes. Hij is erg goed in zijn vak. De beste van zijn ploeg. Hij werkt het fijnste, heel precies en netjes. Hij is slim, hier zou hij veel kansen krijgen. Maar zijn enige doel is overleven. Brood voor zijn familie. Medicijnen voor zijn zusje.

Bergen kledij, made in Bangladesh. Grabbel, graai, verover, verschalk uw medegraaier. Wring u door de massa, op zoek naar uw zelfgekozen keurslijf. Fashion of the fittest. De meest vastberaden wijfjes pronken met hun prooi: de look van dertien in een dozijn. Ik ben, vrees ik, de weakest link. Mijn zin in soldenkoopjes smelt even snel weg als het ijsje op mijn tong.

Drie kinderen heeft ze, de jongste hangt nog aan haar borst. Haar handen liggen open, ademen gaat moeilijk. Al zo lang ze zich herinnert kleurt ze katoen. De chemische stoffen eisen hun tol. Maar ze moet verder. Voor de kinderen. Misschien kunnen ze dan naar school.
Kopen, kopen, lopen, lopen, lopen. Voor ik het weet is de mantra in mijn hoofd een eigen leven gaan leiden. Smijt het neer, gooi het weer in het rek. Maak je geen illusies: die kilo te veel gaat er nooit meer af. De maat was te optimistisch, het motief te druk. Maar vooral: die donkere schaduw is er met de beste zeep niet uit te krijgen.

FacebookTwitterPinterestLinkedInShare