De verandering was subtiel. Waren het haar kleuren, die net iets valer waren dan vroeger? Was het haar huid, die schilferde van de droogte?
Haar oude lijf kraakte als verse sneeuw onder de voeten van de eerste passant. De parasieten raasden door haar steeds frêler wordende lijf. Ooit had ze hen omarmd. Met liefde een thuis gegeven. Nu overwoekerden ze ieder plekje van haar lichaam. Ze bebouwden, verbouwden en bevuilden haar. De liefde was niet wederzijds. Ze was uitgespuwd en misbruikt. Als een schotelvod na een ranzige maaltijd was ze achtergelaten in haar eigen vuil.

Het water bedekte een steeds groter deel van haar ooit zo fiere, ronde lichaam. Het bad liep vol. Het geluid van de kraan vulde de donkere kamer. Met kleine slokjes nam ze het wassende water in zich op. Het werd heter en heter. Eerst voelde het fijn, als een warm deken bij het haardvuur. Maar met elke graad gleed het leven in haar verder weg. Langzaam liet ze los. De parasieten zochten zich een weg uit haar vertrouwde lijf. Ze kronkelden, krioelden, schreeuwden moord en brand. Hopeloos op zoek naar een alternatief voor de fouten ze zelf hadden gemaakt. Stilaan verdronk ze in haar eigen, hete bad. Teleurgesteld en leeg.

Dit is het moment waarop we collectief de deur moeten inbeuken. De Aarde verdrinkt. Alleen wij kunnen haar redden.

FacebookTwitterPinterestLinkedInShare