Bonkerop.

Klare taal. In teksten en ideeën.

Maand: december 2015

Vier jaar sterven.

Daar ligt ze dan. Ze kijkt de kamer rond. Voor de achthonderdzevenenvijftigste keer telt ze de lelijke plafondtegels. Achtenhalve tegel in de breedte. Negen in de lengte. Als ze het gangetje niet meetelt. De vierde tegel van de tweede rij is vernieuwd. Dat weet ze al lang. Ieder vuiltje, barstje en krasje kent ze. Al drie jaar, elf maanden en vijf dagen is deze kamer haar eiland. Haar lichaam is de gevangenis die erop staat. Een gevangenis waar je maar op één manier uit kan ontsnappen. Zesenveertig jaar jong is ze. Lichamelijk een wrak.

Het is geen nieuws meer. En al zeker geen verrassing. Al zes jaar weet ze dat dit de laatste fase zal worden. Ze had alleen nooit gedacht dat die laatste fase zo slepend zou zijn. De ziekte vreet haar lichaam langzaam op. Ze heeft zich voorbereid. Jaren geleden zette ze het op papier: als het niet meer gaat, wordt het licht voor haar gedoofd. Zo wilt ze het. Al lang. Alles is in orde, netjes georganiseerd. Dat geeft rust.

Vier jaar voordien. De hoofdverpleegster komt binnen. Op een vervelende, kinderachtige toon die alleen diehard bejaardenverzorgsters en kleuterleidsters beheersen, kondigt ze het aan. “Annemieke, zoals we vorige week besproken hebben, lijkt het ons een goed idee dat je verhuist naar de palliatieve eenheid van Sint-Jetteke. Dat is dicht bij huis Annemieke, daar kan je familie rustig afscheid nemen. Dat gaat je goed doen, hé, Annemieke”. De toon doet haar huiveren. Het is alsof haar laatste greintje waardigheid weggeblazen wordt door de lookadem van de verpleegster.

 
Daar ligt ze nu. In Sint-Jetteke. Al drie jaar, elf maanden en vijf dagen. Plafondtegels te tellen. Langgerekt te sterven.  Bedankt, monseigneur De Kesel, dat dit de weg is die u voor ogen heeft. Op institutioneel niveau, zoals u dat zo mooi zegt, is duidelijk niet veel empathie te vinden.

FacebookTwitterPinterestLinkedInShare

Waarom de Kerstman en ik geen dikke vrienden zijn (maar ik er toch mee opgescheept zit).

“Mama, heeft de Kerstman al cadeautjes gebracht?”  We zijn onderweg naar huis. Ik heb thuis nog met geen woord over de Kerstman gerept. Toch komt mijn vierjarige Meneertje Wijsneus vragen of hij al is geweest. Met mijn mond vol tanden sta ik te kijken.

Het huis ruikt nog naar mandarijntjes en chocolade. Sinterklaas is net het land uit. Het was weer een magisch moment. Kindervoetjes trippelen de trap af, volgen het spoor van snoepjes, en eindigen bij een schat aan nieuw speelgoed. De afgelopen weken was de Sint de rode draad doorheen het leven. Eerst kwam hij met veel bombarie aan, dan kwam hij thuis op bezoek, daarna gingen we in de cinema een film over de Sint kijken. En uiteindelijk, na lang treuzelen, stapte hij weer op de boot richting Spanje. Ziezo, voorbij voor dit jaar.

SINTERKLAAS MET EEN BROEK AAN

Maar voor we het goed en wel beseffen staat de volgende wit bebaarde bejaarde in onze living. En eigenlijk wil ik hem helemaal niet in mijn huis, die Kerstman. Het is gewoon Sinterklaas met een broek aan. “Met Kerst kopen we cadeautjes voor elkaar, jongen. Omdat we elkaar graag hebben. Dat doen we om elkaar blij te maken.”  “Mag ik dan ook een cadeautje voor tante Kriek kiezen? Een boze dino?” Ja, natuurlijk. Als Meneertje tante Kriek blij wilt maken met een dino, dan is dat prima.

Ik heb hem niet nodig, die Noordelijke Sinterklaas. Met Kerst vertel ik aan mijn kinderen welke cadeautjes ik met veel zorg voor hen heb uitgezocht. En ontvang ik heel trots hun cadeautje voor mij: een tekening waar met veel overgave aan gewerkt is. Want kinderen geven graag cadeautjes. En Kerstmis is daar een ideaal forum voor. Dus waarom daar verder veel gedoe rond maken?

Vijf minuten later. We komen thuis aan. “Mama, mag ik dan nu gaan kijken of de Kerstman al is geweest?” Zucht. Ik zei het al: ik zit opgescheept met de Kerstman.

FacebookTwitterPinterestLinkedInShare

De Aarde verdrinkt.

De verandering was subtiel. Waren het haar kleuren, die net iets valer waren dan vroeger? Was het haar huid, die schilferde van de droogte?
Haar oude lijf kraakte als verse sneeuw onder de voeten van de eerste passant. De parasieten raasden door haar steeds frêler wordende lijf. Ooit had ze hen omarmd. Met liefde een thuis gegeven. Nu overwoekerden ze ieder plekje van haar lichaam. Ze bebouwden, verbouwden en bevuilden haar. De liefde was niet wederzijds. Ze was uitgespuwd en misbruikt. Als een schotelvod na een ranzige maaltijd was ze achtergelaten in haar eigen vuil.

Het water bedekte een steeds groter deel van haar ooit zo fiere, ronde lichaam. Het bad liep vol. Het geluid van de kraan vulde de donkere kamer. Met kleine slokjes nam ze het wassende water in zich op. Het werd heter en heter. Eerst voelde het fijn, als een warm deken bij het haardvuur. Maar met elke graad gleed het leven in haar verder weg. Langzaam liet ze los. De parasieten zochten zich een weg uit haar vertrouwde lijf. Ze kronkelden, krioelden, schreeuwden moord en brand. Hopeloos op zoek naar een alternatief voor de fouten ze zelf hadden gemaakt. Stilaan verdronk ze in haar eigen, hete bad. Teleurgesteld en leeg.

Dit is het moment waarop we collectief de deur moeten inbeuken. De Aarde verdrinkt. Alleen wij kunnen haar redden.

FacebookTwitterPinterestLinkedInShare

© 2019 Bonkerop.

Thema gemaakt door Anders NorenBoven ↑